Wijziging van het ontslagrecht

Zoals bekend wordt er al enige tijd binnen het kabinet een discussie gevoerd omtrent een wijziging van het ontslagrecht. Op 3 juli 2007 heeft minister Donner een adviesaanvraag gestuurd naar de Stichting van de Arbeid (STAR) met daarin een aantal concrete voorstellen.

De meest vergaande wijziging is het voorstel om de werkgever in staat te stellen een werknemer te ontslaan zonder voorafgaande toestemming van de CWI of kantonrechter maar wel met betaling van een wettelijk voorgeschreven vergoeding. De hoogte van de vergoeding wordt in de wet vastgelegd. De kantonrechtersformule blijft gehandhaafd evenals het gewogen dienstjaren-criterium, maar er worden wel maxima gesteld van € 75.000,00 voor werknemers jonger dan 40 jaar en € 100.000,00 voor werknemers van boven de 40 jaar. De vergoeding wordt verdubbeld als er geen legitieme ontslaggrond blijkt te zijn of het ontslag discriminatoir is.

Als de werkgever opzegt, moet hij wel een reden voor de opzegging geven. Dat kan een bedrijfseconomische reden zijn of een reden die gelegen is in de persoon van de werknemer (onvoldoende functioneren, verwijtbaar handelen). De werknemer, die in aanmerking wil komen voor een (hogere) vergoeding dan wel voor herstel van de arbeidsovereenkomst, moet hiervoor wel een beroep doen op de vernietigbaarheid van het ontslag. Het gaat dus om een toetsing achteraf.

Als de reden van het ontslag gelegen is in bedrijfseconomische redenen kan de wettelijk voorgeschreven vergoeding worden gematigd of zelfs helemaal tot nul worden gebracht. Voor dat laatste moet de werkgever wel een positief advies van de CWI hebben. Krijgt hij dat niet, dan kan hij nog altijd daarna toestemming van de kantonrechter vragen. Als de kantonrechter toestemming verleent hoeft er ook geen vergoeding te worden betaald. Maar de werkgever loopt een risico als zowel CWI als kantonrechter van mening zijn dat er geen bedrijfseconomische reden is en de arbeidsrelatie inmiddels verstoord is geraakt. De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst dan beëindigen maar de werkgever moet in dat geval wel de dubbele wettelijk vergoeding betalen. Werkgevers doen er dus verstandig aan om een bedrijfseconomische reden goed te onderbouwen, ook omdat zij na een "afwijzing" van het CWI één jaar moeten wachten voordat zij een nieuwe aanvraag kunnen doen.

Een ander voorstel is om de huidige mogelijkheid om bij cao ten nadele van de werknemer af te wijken van het aantal tijdelijke arbeidsovereenkomsten zonder dat een contract voor onbepaalde tijd ontstaat, te beperken. Nu kunnen de ketenbepalingen (niet meer dan 3 arbeidsovereenkomsten en niet langer dan 36 maanden) nog worden omzeild in cao's. Die mogelijkheid wordt aanzienlijk minder in die zin dat alleen nog maar van de 36 maanden termijn ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken bij cao. Men mag dus slechts 3 tijdelijke contracten sluiten, maar de duur van die contracten mag wel de totale termijn van 36 maanden overschrijden. Dat is nu ook het geval, maar in de voorgestelde regeling moet de contractsduur per tijdelijk contract minimaal 1 jaar zijn. Nu kan dat minder dan 1 jaar zijn. Overschrijdt een werkgever een tijdelijk contract van 36 maanden zonder dat een contract voor onbepaalde tijd ontstaat, dan kan de werkgever verplicht zijn een (kleine) vergoeding te betalen waarop scholingskosten volgens een rekenmodule in mindering worden gebracht.

Een ander voorstel is om partijen meer vrijheid te geven om te bepalen welke criteria zij toepassen inzake de ontslagvolgorde bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen. Nu dient het afspiegelingsbeginsel nog als leidraad. Maar mochten partijen zelf andere criteria willen, dan zal daar meer ruimte voor komen.

Tenslotte stelt de minister voor dat er een zogenaamde wederzijdse scholingsplicht wordt geïntroduceerd met als doel vergroting van inzetbaarheid van werknemers binnen en buiten de onderneming. Partijen kunnen in onderling overleg tot maatwerk op het gebied van scholing komen. De verplichting geldt ook bij tijdelijke contracten.

De STAR is gevraagd uiterlijk 1 september 2007 een advies uit te brengen. Afhankelijk van de inhoud van dit advies, zal er nog enige tijd overheen gaan voordat alle relevante tekstvoorstellen voor nieuwe wetgeving zijn opgesteld waarna een behandeling in de Tweede Kamer zal moeten plaatsvinden. Onze verwachting is dat, mocht het zo ver komen, een eventuele wetswijziging niet voor het voorjaar van 2008 in werking zal treden. Wat betreft de huidige praktijk verwachten wij niet dat kantonrechters zullen anticiperen op de hoogte van de thans voorgestelde maximale ontslagvergoedingen.

Bron: Loyens & Loeff

Terug naar nieuws