Buitenlandse aspecten van een Gouden handdruk

De gouden handdruk in belastingverdragen

In geen enkel belastingverdrag dat Nederland heeft gesloten, is een bepaling opgenomen die specifiek ziet op toegekende ontslagvergoedingen. Wel zijn in vrijwel alle verdragen bepalingen opgenomen die de heffingsbevoegdheidsverdeling regelt over arbeids- en pensioeninkomsten.De arbeidsbeloning is als hoofdregel ter belastingheffing toegewezen aan het werkland.De belastingheffing over pensioeninkomsten is daarentegen in de meeste verdragen toegewezen aan het woonland. Het belang van een kwalificatie als arbeidsinkomst of pensioeninkomst is hiermee ook duidelijk.

De kwalificatie kan immers leiden tot een tegenovergestelde uitkomst qua verdeling van de heffingsbevoegdheid. U moet wel er echter wel op attent zijn dat zeker in de meer recent afgesloten belastingverdragen in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld bij afkoop) ook aan het land waar het pensioen is opgebouwd (het bronland) het heffingsrecht is toegewezen. Als de ontslagvergoeding voor de toepassing van het verdrag is aangemerkt als een pensioenuitkering zal deze toewijzing van pensioeninkomsten aan de bronstaat ook voor de ontslagvergoedingen gelden. Scherpte is dus geboden.

Arbeids- of pensioeninkomsten volgens het verdrag

Het probleem is dat in de meeste belastingverdragen of de gezamenlijke toelichting hierop geen definitie is opgenomen van welke inkomsten nu precies volgens de verdragspartners onder arbeids- en/of pensioeninkomsten vallen. Vaak volstaat het verdrag ermee te bepalen dat voor de uitleg van deze begrippen moet worden gekeken naar de betekenis die deze begrippen hebben in de nationale wetgeving van een verdragssluitende staat. Naar Nederlands recht betreft een gouden handdruk inkomsten uit vroegere arbeid ( dit heeft de Hoge Raad bepaald in een uitspraak van 10 februari 1999, BNB 1999/153). In sommige gevallen echter wordt de toegekende gouden handdruk aangemerkt als een beloning ‘soortgelijk aan pensioen’ zodat het pensioenartikel van toepassing is op de ontslagvergoeding. Dit is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ( onder andere HR 3 mei 2000, nr. 34361) het geval als de hoogte van de gouden handdruk mede is bepaald door het bedrag dat de ontslagen werknemer nodig heeft om geheel of gedeeltelijk in zijn levensonderhoud te voorzien in de periode van zijn ontslag tot de pensioeningangsdatum.

Ook als de hoogte van de gouden handdruk bepaald is door het bedrag dat nodig is voor de verbetering van pensioenrechten is dit het geval. Aanwijzingen hiervoor zijn de leeftijd van de ontslagen werknemer op het moment van toekenning van de ontslagvergoeding en de kans dat het nog komt tot een herintreding in het arbeidsproces door de werknemer. Dit betekent echter naar onze mening niet dat een kwalificatie als pensioen alleen mogelijk zou zijn voor de, relatief gezien, oudere werknemers. Ook bij berekening van een gouden handdruk, relatief gezien, jonge werknemers kan immers rekening gehouden zijn met opgetreden pensioenschade. Als dat het geval is, lijkt er veel voor te zeggen dat ook dan de ontslagvergoeding geheel of gedeeltelijk onder het pensioenartikel kan vallen.

Duidelijk zal zijn dat dit nog geen harde criteria zijn. Gelet op het geschetste belang van een kwalificatie als arbeidsinkomsten of pensioen doen partijen er echter wel verstandig aan om een goed vast te leggen hoe de hoogte van de gouden handdruk is bepaald en hoe het één en ander tot stand is gekomen.

Gouden handdruk Nederland België

Voor het antwoord op de vraag welk land mag heffen over de termijnen uit het gouden handdruk stamrecht is het belastingverdrag tussen Nederland en België beslissend. Allereerst moet worden bepaald onder welke bepalingen van het verdrag het gouden handdruk stamrecht moet worden geschaard. In de meeste verdragsituaties is het uitgangspunt dat uitkering uit een gouden handdruk stamrecht moeten worden belast op grond van het arbeidsartikel, waardoor heffing plaatsvindt in het land waar de arbeid is verricht, in dit geval dus Nederland. Voor inwoners van België die de uitkering uit een Nederlands gouden handdruk genieten, gelden echter wat bijzonderheden.

Wanneer de termijnen uit de gouden handdruk namelijk vast en gelijkmatig zijn, worden zij voor de interpretatie van het verdrag door de Belgische fiscus behandeld als lijfrente-uitkeringen. Bij lijfrente-uitkeringen speelt de zogenaamde ‘€ 25.000 grens’ een rol. Voor de bepaling of deze € 25.000 grens wordt overschreden tellen de inkomsten mee waarvoor in Nederland fiscaal voordeel is genoten én die in België tegen een bijzonder tarief worden belast of voor minder dan 90% in de heffing worden betrokken.

Onder deze inkomsten vallen niet alleen lijfrenteverzekeringen waarvoor in Nederland aftrek van belasting is genoten, maar ook bijvoorbeeld pensioenuitkeringen uit een Pensioen-C polis. AOW-uitkeringen en Pensioen-B polissen worden in België daarentegen volledig in de heffing betrokken tegen het normale tarief, zodat deze inkomsten weer niet meetellen bij de bepaling van de € 25.000.

Wanneer het totaal aan gouden handdruk termijnen, lijfrente inkomsten en uitkeringen uit Pensioen-C polissen een bedrag van € 25.000 niet overschrijdt dan is het uitgangspunt in principe dat Nederland niet heft en alleen België kan heffen. België heft jaarlijks over de 3% van de waarde van het stamrecht tegen een tarief van 15% (0,45% in totaal). De uitkeringen uit het stamrecht zelf zijn volledig belastingvrij.

Wanneer het totaal aan bovengenoemde inkomsten meer bedraagt dan € 25.000 per jaar, dan dreigt dubbele heffing. Omdat het bedrag hoger is dan € 25.000 wijst het verdrag de heffing aan Nederland toe. Tegelijkertijd wordt het stamrecht in België belast tegen de hierboven genoemde 0,45%, omdat de werknemer in zijn woonplaats België wordt belast door zijn gehele wereldinkomen. In dit soort situaties werkt normaal gesproken de regeling ter voorkoming van dubbele heffing uit het verdrag. Omdat er echter sprake is van heffing over verschillende inkomstenbestanddelen (Nederland heft over de termijnen uit het stamrecht, België heft over het stamrecht zelf), werkt de regeling in deze situatie niet.

Om toch dubbele heffing te voorkomen kan een beroep worden gedaan op een besluit van 1 september 2005 (CPP 2005/2036). Door toepassing van dit besluit belast België de aanspraak op het stamrecht niet, en verklaart de werknemer zich ermee akkoord dat heffing over de termijnen plaatsvindt in Nederland. Wanneer het bedrag van de termijnen overigens beperkt blijft tot maximaal circa € 32.738 (bedrag van de tweede schijf in 2010) is de heffing in Nederland zeer beperkt. De Nederlandse tarieven bedragen in de eerste twee schijven immers slechts 2,30% (tot € 18.218 en 10,80% tot € 32.738.

Wanneer de uitkeringen uit het gouden handdruk stamrecht jaarlijks onder de € 25.000 euro blijven en er geen andere inkomsten zijn die onder de € 25.000 grens vallen zal in Nederland in principe geen heffing plaatsvinden omdat de heffing op grond van het verdrag wordt toegewezen aan België. In België wordt de waarde van de aanspraak jaarlijks belast tegen 0,45 %, terwijl de termijnen onbelast kunnen worden ontvangen.